Gevlucht voor het water, gevangen in het goud
10 december 2014
0

Stel dat een externe, onoverkomelijke kracht je huis, dorp en hele leefomgeving bedreigt. Dat je noodgedwongen alles achterlaat en elders van nul moet herbeginnen. Dit overkwam enkele Surinaamse dorpen met de komst van een stuwmeer begin jaren ‘60. De rust van de bewoners van Nieuw Koffiekamp en talloze andere zogenaamde transmigratiedorpjes wordt vandaag opnieuw bedreigd door een alsmaar oprukkende goudindustrie. ‘De geschiedenis herhaalt zich. Deze keer is het niet water dat ons bedreigd, maar geld.’

De Saramaccastraat in Paramaribo kenmerkt zich door een vroege bedrijvigheid. Tussen talloze bazaars en casino’s staan volgepakte minibusjes en met olievaten geladen pick-ups klaar om het binnenland in te trekken. ‘Nieuw Koffiekamp? Willen jullie naar Nieuw Koffiekamp?’, klinkt de buschauffeur verbaasd. Goudzoekers, geweld en wetteloosheid kleuren de reputatie van het transmigratiedorp. Noem het gerust het wilde westen van het Surinaamse binnenland. ‘Blijf daar maar mooi weg’, klonk het eerder in de stad.

We houden de raad in ons achterhoofd maar zakken even later af richting het Surinaamse binnenland. De keurig geasfalteerde hoofdbaan wordt bij momenten geflankeerd door restanten uit een periode waar het bos hier nog hoogtij vierde. Tussen ondoordringbare stroken tropisch woud bevinden zich hobbelige wegen richting talrijke al dan niet reguliere goudvelden. Met het nemen van de afslag naar Nieuw Koffiekamp verandert het landschap. Kale bomen, diep omgespitte en oneindig omgewoelde putten zijn gevuld met bruingeel water, modder en slib. Overblijfselen van houten graafconstructies en pompinstallaties van goudzoekers staan als ruïnes in een kaalgeplukt maanlandschap.

Op de brede bauxietweg richting een van de mijnen van het Canadese goud ontginningsbedrijf Iamgold passeren voortdurend personeelsbussen en vrachtwagens van de multinational. Tussen de stofwolken door kom je aan de afslag naar het dorpje Nieuw Koffiekamp, een gemeenschap met amper zeshonderd bewoners. De andere richting brengt je tot aan de poort van Iamgold, die enkel opent voor de met gouden stickers beplakte voertuigen. Nieuwsgierigen worden er vakkundig buiten gehouden. Terwijl we met een aftandse wagen moeizaam vorderen over de weg, belemmeren nieuwe stofwolken van een passerende luxejeep met geblindeerde ruiten het zicht. Onze chauffeur licht een zoveelste joint op en klaagt: ‘Deze baan is toch niet gemaakt voor de kleine man van Nieuw Koffiekamp? Enkel zakenlui met gulzige magen en grote wagens rijden hier. Het zijn net gieren.’

Honderdzes

Het verhaal van Nieuw Koffiekamp en de andere transmigratiedorpen in het Brokopodistrict begint eind jaren ‘50. Een stuwdam aan de Surinamerivier liet een gebied ten grote van de provincie Utrecht onder water lopen. Naar schatting zesduizend Surinamers en tientallen plaatselijke dorpen moesten wijken voor de komst van het Brokopondostuwmeer.

Het water kwam, ontwikkeling zou volgen. De komst van de Afobakastuwdam en een aanpalende waterkrachtcentrale moest de bauxietindustrie en daarmee de algemene economische ontwikkeling van Suriname naar nieuwe hoogtes tillen. Niets dan hoopvolle gezichten bij de plechtige opening van de industriële site in oktober 1965. De historische dag voor Suriname, bijgewoond door Nederlandse Koningin Juliana, stond in schril contrast met de zesduizend Surinamers die op zoek moesten naar een nieuw thuis. De dorpelingen waren amper op de hoogte gebracht toen de sluizen van de dam sloten. Het wassende water stond hen letterlijk aan de knieën toen ze op zoek moesten naar hogere en drogere oorden.

De vlucht bracht hen via de voor goudzoekers opgerichte Lawaspoorweg richting de noordelijke bossen. Aan kilometerpaal 106 besloten de vluchtelingen uit Koffiekamp af te stappen. Na zich een weg door het dichte oerwoud te kappen richtten ze iets verder hun “Nieuw Koffiekamp” op. ‘Vandaag heet ons dorpje in de volksmond nog altijd “Honderzes”, naar die bewuste kilometerpaal’, vertelt Carlo Morales, die tijdens de transmigratie als zevenjarige knul zijn dierbaarste spullen inlaadde in de korjaal van zijn familie.

Als een kikker op een kluitje

Na de zondvloed in de jaren ’60 stichtten de Koffiekampers zonder het te beseffen hun Honderdzes op een goudberg. In de jaren ’70 en ’80 bouwden de dorpelingen in alle rust aan een nieuw gemeenschapsleven. De gestrande Koffiekampers troffen in de uitlopers van het Amazonewoud een handvol kleinschalige goudzoekers of porknokkers aan, maar van een goldrush was op dat moment nog geen sprake. Toen eind jaren ’90 de prijs van goud op de wereldmarkt drastisch verhoogde ontstond een nieuwe wedloop richting de grondstofrijke Green Belt in het Surinaamse binnenland.

Aanvankelijk waren het vooral de lokale bewoners die profiteerden van kleinschalige goudontginning. Er leek een periode van welvaart te komen voor de transmigratiedorpen, tot de Surinaamse regering besloot zijn graantje mee te pikken en een cirkel trok rond het gebied boven het stuwmeer. Toenmalig president Ronald Venitiaan verkocht zeventienduizend hectare bosland en in 2006 startte het Canadese bedrijf Iamgold met goudexploitatie door industriële ontginning. Nieuw Koffiekamp werd samen met honderden plaatselijke kleinschalige mijngebieden mee opgenomen in de concessie. Van de ene dag op de andere verloren lokale goudzoekers hun ontginningsgebied en waren de inwoners van Nieuw Koffiekamp geen baas meer op eigen grond.

Volgens de Koffiekampers had de Canadese multinational geen weet van ingesloten gemeenschappen tijdens het ondertekenen van de lucratieve overeenkomst. ‘Het is vooral de overheid die hier in de fout ging’, licht een van de dorpsouderen toe. ‘Om de overeenkomst te verzilveren degradeerden ze ons tot een verwaarloosbare nederzetting.’ Volledige onwetendheid van Iamgold lijkt na jarenlang voorafgaand veldonderzoek in de regio echter weinig waarschijnlijk. Wat vaststaat is dat de inwoners vandaag als een kikker op een kluitje leven in het grootste ontginningsgebied van Suriname.

Naast industriële mijnbouw proberen plaatselijke porknokkers hun verloren werkterrein te vrijwaren. Van overal komen ook illegale goudzoekers hun gram meepikken. ‘Iamgold past een gedoogbeleid toe voor kleinschalige goudontginning binnen hun concessie, voorbehouden voor erkende, plaatselijke verenigingen die hun mijngebieden verloren’, licht een van de jonge goudzoekers uit Nieuw Koffiekamp toe. ‘Ook wij hebben recht om te delven binnen een strikt afgebakende gedoogzone.’

De druk op het gedoogbeleid neemt echter voortdurend toe. De bossen rond Nieuw Koffiekamp krioelen van niet-geregistreerde goudzoekers – bijgenaamd spoken – die binnen en buiten de gedoogzone mijnactiviteiten uitvoeren. Protestacties voor bescherming van kleinschalige mijnverenigingen behoren dan ook tot het dagelijkse leven in en rond Nieuw Koffiekamp.

Het kat-en-muisspel tussen Iamgold en niet geregistreerde goudzoekers gaat gepaard met ontruimingsacties en relletjes. Lokale goudzoekers krijgen het daarnaast regelmatig aan de stok met concurrerende spoken, zoals Braziliaanse Garimpeiros, die hun gebied infiltreren. Brandstichting, geweld en schietpartijen zijn daardoor schering en inslag in de regio.

Een moeilijk huwelijk

‘Deze situatie zorgt ervoor dat het water ons opnieuw aan de lippen staat’, legt Morales uit. Als kippenkweker in Nieuw Koffiekamp blijft hij gespaard van de goudproblematiek, maar vele andere dorpelingen hebben geen andere keuze dan hun geluk te zoeken in het goud. ‘De overheid investeerde veel te weinig in de ontwikkeling van de transmigratiedorpen en voorziet niet in de bescherming die wij als dorpsbewoners midden in een goudconflict behoeven. Ons lot ligt niet in onze handen, maar in dat van de goudkoorts’, aldus Morales.

Stukje bij beetje breiden goudzoekers hun werkterrein uit en delven graafmachines dichter richting Nieuw Koffiekamp. De kraters lopen tot aan de rand van het dorp, in de omgeving staan amper nog bomen recht. Voortdurend draaiende motors van graafmachines en pompinstallaties scheppen de dagelijkse sfeer. Alleen op zondagochtend ligt het werk stil, want dan is er misviering. Op het dorpsplein komen goudzoekers samen na een dag stevig labeur en verzetten ze sloten bier en weed al uitrustend op blitse wagens of met modder besmeurde jeeps. Luidruchtige quads passeren de lokale supermarkt, waar aankopen met de winkelbediende gebeuren via een kleine opening onder veilig afgeschermd stalen traliewerk.

Terwijl kleinschalige goudzoekers rivaliseren om delfplekjes in een overvol gebied, breidt ook Iamgold haar ontginningsveld uit. Dagelijks produceert de Rosebelmijn van Iamgold bijna veertig kilogram goud. Op jaarbasis komt dit neer op net geen veertien ton. Deze brok heeft, afhankelijk van de goudkoers, een marktwaarde van ongeveer 480 miljoen euro. Een groot deel van de winsten komt echter niet van multinationals, maar komt voort uit de productie van middelgrote goudbedrijven en kleinschalige ontginning. De opbrengst hiervan valt door illegale handel en corruptie onmogelijk te beramen.

De door verdoezeling doordrongen Surinaamse goudsector zal de bewoners van Nieuw Koffiekamp worst wezen. Zij denken enkel aan overleven. Hun relatie met Iamgold is heel dubbel. De Canadese multinational vormt niet alleen een bedreiging voor het gemeenschapsleven, maar ook hun enige luchtpijp. De dienst gemeenschapsrelaties van het goudbedrijf pompte al miljoenen in ontwikkelingsfondsen en lokale investeringen om haar relatie met de bevolking te versterken. Morales zetelt als afgevaardigde van het dorp in het bestuur voor gemeenschapsrelaties en adviseert regelmatig de dienst: ‘Scholen, sportfaciliteiten of nieuwe woningen, Iamgold zorg vaak voor de financiering.’

‘Maar is dit niet de taak van de overheid?’, vragen de Koffiekampers zich niet onterecht af. Velen vrezen dat de schizofrene relatie met Iamgold niet veel langer kan blijven duren. Het dorp ligt trouwens pal op de plaats waar Iamgold haar negende goudmijn wil ontwikkelen, beweren enkele dorpelingen die achterdochtig het goudgebeuren volgen. ‘De geschiedenis zal zich uiteindelijk herhalen.’